Onderzoek en praktijkgidsen die iets zeggen over lesgeven en schoolontwikkeling — kort samengevat, met het oorspronkelijke stuk erbij om zelf te lezen. De samenvatting is een leeswijzer, niet een vervanging.
Goed lesgeven: wat zien leerlingen dat jij zelf niet ziet?
Een korte onderzoeksnotitie voor startende docenten, naar aanleiding van Marsh e.a. (2026).
Bron Journal of Educational Psychology
Notitie Cygnus Gymnasium, september 2026
Voor startende docenten
Bestaat goed lesgeven uit herkenbare onderdelen, en kunnen leerlingen daar betrouwbaar over oordelen? Ja, laat een grote Australische studie zien. Het oordeel van een klas komt deels overeen met het zelfbeeld van de docent, maar beslist niet volledig. Juist dat verschil is bruikbaar: het laat zien waar je bedoeling en de ervaring van je leerlingen uit elkaar lopen.
Als docent weet je wat je van plan was: hoeveel voorbereiding in een les zat, waarom je een opdracht koos, wat je met je uitleg wilde bereiken. Leerlingen zien iets anders — wat er daadwerkelijk bij hen aankomt. Geen van beide perspectieven is op zichzelf de waarheid. Ze komen genoeg overeen om over hetzelfde te kunnen praten, en verschillen genoeg om elkaar iets te leren.
De data achter de conclusie
Leerlingen beoordeelden één concrete docent in één concrete klas; de docent beoordeelde zichzelf voor diezelfde klas. Voor de analyses werden de klassen met voldoende leerlingrespons gebruikt.
17.814leerlingen
1.013klassen geanalyseerd
549docenten
18scholen
Vijftien kanten van het vak
Goed lesgeven is niet alleen orde houden, helder uitleggen of leerlingen hard laten nadenken. De onderzoekers onderscheiden vijftien dimensies, die leerlingen én docenten herkennen.
Klimaat & interactieLeerlingen durven praten, vragen stellen en ideeën delen.
PlanningDe les is voorbereid en verwachtingen zijn helder.
Feedback & toetsingBeoordeling en feedback zijn eerlijk, bruikbaar en informatief.
Individuele aandachtLeerlingen ervaren dat je hen kent, helpt en vertrouwen geeft.
EnthousiasmeJe energie en betrokkenheid bij het vak zijn zichtbaar.
Meerdere perspectievenJe laat leerlingen breed denken en verschillende zienswijzen onderzoeken.
Uitdaging & werkbelastingJe stelt eisen aan tijd, inspanning en niveau.
Huiswerk & opdrachtenOpdrachten voelen zinvol en dragen bij aan verder leren.
KlassenmanagementEr is duidelijke structuur en weinig tijdverlies door onrust.
Cognitieve activeringLeerlingen moeten zelf nadenken en problemen oplossen.
Duidelijke uitlegJe structureert, legt begrijpelijk uit en gebruikt voorbeelden.
KeuzeLeerlingen krijgen enige ruimte voor eigen keuzes en interesses.
RelevantieJe maakt duidelijk waarom de stof belangrijk of bruikbaar is.
Ervaren lerenLeerlingen ervaren: nu begrijp ik iets wat ik eerst niet begreep.
TechnologieDigitale middelen worden functioneel gebruikt voor leren en werken.
Vier bevindingen
Leerlingfeedback als klasgemiddelde is betrouwbaar
Individuele leerlingen verschillen van mening, maar per klas samengenomen is de betrouwbaarheid hoog (ICC2 = .872 tot .900, ruim boven de gebruikelijke grens van .70). De relevante eenheid is dus niet één losse reactie, maar het patroon dat in de klas zichtbaar wordt.
Leerlingen en docenten zien herkenbaar hetzelfde — maar niet hetzelfde
Voor alle vijftien dimensies hing het leerlingoordeel significant samen met de zelfbeoordeling van de docent (r = .20 tot .52, gemiddeld .33). De grootste overeenstemming zat bij werkbelasting, klassenmanagement en technologie; de kleinste bij planning en duidelijkheid van uitleg. Jij kunt een les zorgvuldig gepland en helder vinden, terwijl leerlingen dat anders ervaren.
Docenten zijn op sommige punten optimistischer over zichzelf
Docenten beoordeelden zichzelf hoger op enthousiasme, huiswerk en opdrachten, individuele aandacht, relevantie en klassenmanagement. Leerlingen beoordeelden juist de geboden keuzeruimte hoger. Op negen van de vijftien dimensies was er gemiddeld geen significant verschil.
Ervaren leren, enthousiasme en relevantie hangen het sterkst samen met ervaren groei
De klassieke ‘grote drie’ — klassenmanagement, klimaat en cognitieve activering — hingen in deze studie minder sterk samen met ervaren leerlinggroei. Maar dit is geen ranglijst van bewezen effectieve aanpakken: het gaat om ervaren groei, niet om objectieve leerwinst, en om correlaties. Klassenmanagement kan een voorwaarde zijn waardoor leren überhaupt mogelijk wordt.
Grens van het onderzoek
Het artikel bewijst vooral dat de twee vragenlijsten goed meten wat ze beogen te meten. Het bewijst niet dat het gebruik ervan automatisch tot beter onderwijs of hogere toetsscores leidt; daarvoor is volgens de auteurs longitudinaal onderzoek met onafhankelijke uitkomstmaten nodig.
Wat dit betekent voor een startende docent
Kies één klas
Niet je hele docentschap tegelijk. Kies een klas waarin je echt wilt begrijpen wat er gebeurt.
Kijk naar dimensies
Vraag niet ‘vinden jullie mijn lessen goed?’, maar: is mijn uitleg helder? Is het werk relevant? Moeten jullie echt nadenken?
Beoordeel jezelf eerst
Schrijf vooraf op hoe jij denkt dat leerlingen deze punten ervaren.
Vraag de klas
Gebruik het gemiddelde en zoek patronen. Eén uitgesproken reactie is informatie, maar geen diagnose.
Zoek het verschil
De interessantste plek is vaak waar jouw beeld en dat van de klas uiteenlopen.
Verander één ding
Klein en observeerbaar — bijvoorbeeld vier weken explicieter de relevantie van de stof benoemen.
Vraag opnieuw
Zo wordt professioneel leren een cyclus: zelfbeeld, leerlingervaring, gesprek, kleine interventie, nieuwe feedback.
Je bedoeling is niet hetzelfde als de ervaring van je leerlingen. Goed docentschap begint waar je nieuwsgierig wordt naar het verschil.
02 · Praktijkgids
Een aanpak laten landen: acht tips voor schoolleiders
Guidance for principals: supporting a deliberate and structured approach to implementation.
Bron Australian Education Research Organisation (AERO)
Datum september 2026
Taal Engels · 12 blz. · CC BY 4.0
Waarom landt een goed onderbouwde onderwijsaanpak op de ene school wel en op de andere niet? Volgens AERO, het Australische onderzoeksinstituut voor onderwijs, is de schoolleider daarin een sleutelfactor: meer betrokkenheid van de leiding bij de invoering hangt samen met betere resultaten van die invoering. Blijft de schoolleider erbuiten, dan hechten medewerkers minder waarde aan de aanpak en wordt hij minder vaak uitgevoerd zoals bedoeld.
De gids bundelt acht praktische tips van drie schoolleiders die met AERO’s ‘deliberate and structured approach’ werken, elk onderbouwd met implementatieonderzoek. De tips zijn geordend in drie thema’s: het proces, de praktijk, en mensen en prioritering.
Het proces
Hoe je de invoering leidt
Schoolleiders zijn doelbewust, gestructureerd en actief in het ‘hoe’.
01Begrijp en gebruik de kernbegrippen van implementatie en bouw voort op wat de school al aan verbetering doet.
02Ga langzaam in het begin, om verandering later vast te kunnen houden.
03Doe zelf mee aan de belangrijkste implementatie-activiteiten.
De praktijk
Wat er wordt ingevoerd
Schoolleiders bepleiten de aanpak en zijn helder over het ‘wat’.
04Communiceer de voordelen van de aanpak en hoe hij aansluit bij de prioriteiten van de school.
05Wees duidelijk en specifiek over de veranderingen die je in de klas wilt zien.
Mensen en prioritering
Wie het draagt
Schoolleiders zetten medewerkers in positie om te leiden en maken de invoering een prioriteit.
06Stel een implementatieteam samen met omschreven rollen.
07Bouw aan een cultuur van vertrouwen en samenwerking.
08Geef de invoering voorrang met de tijd, middelen en systemen die ze nodig heeft.
Vier fasen, en de valkuil van de haast
Invoering verloopt idealiter in fasen, elk met eigen kernactiviteiten. De meest voorkomende valkuil voor schoolleiders is de druk om snel naar de professionalisering van docenten te gaan en de eerste twee fasen af te raffelen. Op korte termijn voelt dat als vaart; op langere termijn stuit je op onverwachte belemmeringen, staat het team niet volledig achter de aanpak en beklijft hij niet.
Fase 1ExploreHet implementatieteam benoemt een concreet probleem en een onderbouwde onderwijsaanpak die daarbij past.
Fase 2PrepareHet team maakt een gedetailleerd plan en pakt de belangrijkste belemmeringen aan.
Fase 3DeliverLeercycli — kennisopbouw, planningssteun, voordoen en coaching — versterken het gebruik van de aanpak in de klas.
Fase 4SustainDe aanpak raakt ingebed in de hele school.
“Make mistakes in front of your staff so they see that you’re learning and you’re part of the process too. Once your staff see that you’re on board, it’s a lot easier for them to come on board as well.”
Candice Morphett, Fern Bay Public School
Wat de gids concreet van een schoolleider vraagt
Niet het dagelijkse implementatiewerk doen, maar zichtbaar betrokken zijn: meehelpen een helder doel te formuleren dat aansluit bij de schoolprioriteiten, sommige vergaderingen van het implementatieteam bijwonen, ten minste een deel van de kennisbijeenkomsten met docenten volgen, en meedenken over belemmeringen. Daarnaast: zelf de onderbouwing van de aanpak kennen en het ‘waarom’ uitdragen; de kernelementen van de aanpak kunnen benoemen — wat je in de klas wilt terugzien — zonder dat je hem zelf hoeft voor te doen; een implementatieteam kiezen dat het vertrouwen van collega’s heeft; en ruimte maken door tijd, geld en roosters te herschikken, zo nodig door concurrerende initiatieven te snoeien.
“It’s no use trying to do everything at once. We focused on one priority, and got it right.”
Aleisha Connellan, Our Lady of the Way School
Vragen aan je implementatieteam
De bijlage bevat vragen die een schoolleider gedurende de invoering kan stellen, geordend naar de vier onderdelen van de aanpak. Een greep:
In welke fase zitten we nu, en moeten we vertragen?
Welke belemmeringen en versnellers hebben we als prioriteit benoemd — en welke rol wil je dat ik daarin speel?
Welke implementatiestrategieën gebruiken we, en is ons plan gedetailleerd genoeg en actueel?
Hebben jullie voldoende beschermde tijd, en hoe help ik de focus vast te houden als andere prioriteiten opdringen?
Hoe volgen we de implementatie-uitkomsten — acceptatie door het team, uitvoering zoals bedoeld — en welke vragen aandacht?
Waarom het relevant is voor een Nederlandse school: de gids gaat niet over een specifieke methode maar over het proces van invoeren, en juist dat proces is de zwakke plek van veel verbeterinitiatieven. De onderliggende literatuur (onder meer het EEF-overzicht Implementation in education uit 2024) is internationaal.
03 · Gerandomiseerd experiment
Een AI-tutor thuis verslaat de activerende les op Harvard
AI tutoring outperforms in-class active learning: an RCT introducing a novel research-based design in an authentic educational setting.
Bron Scientific Reports 15, 17458 (2025)
Auteurs Kestin, Miller, Klales, Milbourne & Ponti, Harvard University
Taal Engels · 10 blz. · CC BY-NC-ND 4.0
Kan een chatbot beter lesgeven dan een goede docent in een activerende les? In één specifieke situatie wel, laat dit experiment zien: studenten in een inleidend natuurkundevak die nieuwe stof thuis met een zorgvuldig ingerichte AI-tutor doorwerkten, scoorden daarna duidelijk hoger op een toets dan studenten die dezelfde stof in een activerend werkcollege kregen — en ze waren er minder tijd aan kwijt. De auteurs benadrukken dat dit niet geldt voor zomaar een chatbot: de tutor was gebouwd op dezelfde pedagogische uitgangspunten als de les, en kreeg de uitgewerkte antwoorden vooraf mee.
Het vertrekpunt is een oud probleem. Een-op-een begeleiding door een expert is de meest effectieve vorm van onderwijs (Bloom, 1984), maar is niet op te schalen. Activerende werkvormen doen het beter dan hoorcolleges, maar houden drie zwakke plekken van klassikaal onderwijs: het tempo is voor sommigen te snel en voor anderen te traag, feedback is niet persoonlijk, en de aandacht zakt weg. De vraag van de onderzoekers: kan een AI-tutor de ervaring van een persoonlijke expert-tutor benaderen?
De opzet
Het onderzoek vond plaats in het najaar van 2023 in Physical Sciences 2, het grootste natuurkundevak van Harvard (233 ingeschrevenen, 194 in de analyse). Studenten werden in twee groepen geloot, met behoud van hun vaste werkgroepjes. In week één werkte groep 1 thuis met de AI-tutor en kreeg groep 2 de activerende les; in week twee andersom. Vóór elke les een voortoets, erna een natoets en vier vragen over de ervaring. Onderwerpen: oppervlaktespanning en stroming van vloeistoffen — bewust gekozen omdat ze los staan van eerdere stof en ruim 90% van de studenten ze nog niet eerder had bestudeerd.
De inhoud was in beide condities identiek: dezelfde werkbladen, dezelfde inleidingen (live in de zaal, op video voor de thuisgroep). In de zaal werkten studenten in groepjes met begeleiding van staf en gerichte feedback van de docent. Thuis stelden ze hun vragen aan ‘PS2 Pal’, een tutor op basis van GPT-4. De toetsen werden geschreven door een teamlid dat niet bij de les of de tutor betrokken was, op basis van de leerdoelen en niet van de lesinhoud.
194studenten, crossover
4,5 vs 3,5mediane natoetsscore AI · les
0,73–1,3effectgrootte in SD
49 vs 60minuten leertijd AI · les
Vier bevindingen
Meer geleerd
Ten opzichte van de gezamenlijke voortoets (mediaan 2,75) was de mediane leerwinst met de AI-tutor ruim het dubbele van die in de les. Het verschil is zeer significant (p < 10-8) en blijft overeind na correctie voor voorkennis, tentamencijfer, conceptbegrip (FCI), eerdere ChatGPT-ervaring, onderwerp, toetsversie en tijd. Het effect gold zowel voor studenten met lage als met hoge voorkennis.
In minder tijd
De les duurde 60 minuten; met de AI-tutor was de mediane tijd 49 minuten en zat 70% onder het uur. Tijd hing niet samen met score. Wel opvallend: alle studenten die het lestempo ‘te snel’ noemden, besteedden meer dan de mediane tijd aan de AI-les; wie het ‘te traag’ vond, minder. Zelf tempo bepalen deed dus wat het beloofde.
Meer betrokken en gemotiveerd, even leuk
Op een vijfpuntsschaal scoorde de AI-conditie hoger op betrokkenheid (4,1 tegen 3,6) en motivatie (3,4 tegen 3,1). Op plezier en groeimindset was er geen verschil.
Uitleg als van een mens
83% van de studenten vond de uitleg van de tutor even goed als of beter dan die van de docenten in de zaal.
Zeven ontwerpprincipes — en hoe ze zijn ingebouwd
De auteurs ontlenen aan de onderwijsliteratuur zeven principes die voor mensen én digitale systemen gelden. Interessant is vooral wat wél en niet via de instructie aan het model te regelen bleek.
Actief lerenVia de systeemprompt: de tutor laat de student zelf werken.
Cognitieve belasting beheersenVia de systeemprompt: kleine stappen, geen overbodige informatie.
Groeimindset bevorderenVia de systeemprompt: fouten als leermoment.
ScaffoldingNiet betrouwbaar via de prompt — het model sprong door de deelvragen. Daarom leidt het platform zelf stap voor stap door elke opgave.
Correcte informatieNiet op GPT-4 vertrouwd: de docenten schreven volledige stapsgewijze uitwerkingen in de prompts.
Gerichte, tijdige feedbackInherent aan één-op-één: onhaalbaar in een zaal met 200 studenten.
Eigen tempoInherent aan thuis werken; zie de spreiding in tijd.
“After all, AI chatbots are generally designed to be helpful, not to promote learning.”
Kestin e.a., 2025
Grens van het onderzoek
Eén vak, één universiteit, twee lessen, één model (GPT-4). De stof was nieuw voor de studenten en zat op de niveaus begrijpen, toepassen en analyseren; de auteurs zeggen zelf niet te verwachten dat een AI-tutor het altijd wint, bijvoorbeeld bij complexe synthese en hogere-orde-denken. De natoets had een plafondeffect, waardoor de effectgrootte lastig precies te schatten is (0,63 in de lineaire regressie, 0,73–1,3 in een kwantielregressie). De activerende les werd gegeven door de auteurs zelf — dezelfde mensen die eerder de effectiviteit van die aanpak aantoonden. En de voorbereiding is niet gratis: enkele dagen per les voor prompts en uitwerkingen, plus maanden ontwikkeltijd voor het platform.
Wat de auteurs adviseren
Niet: de les vervangen. Wel: de AI-tutor inzetten als eerste kennismaking met nieuwe stof, vóór de les, zoals in een flipped classroom. Dan komen alle studenten op een niveau waarop de lestijd kan gaan naar wat een tutor niet kan — complexere problemen, projectwerk, samenwerken — en kan de docent die vaardigheden ter plekke beoordelen, zonder dat AI een sluiproute wordt bij huiswerk en werkstukken. Hun waarschuwing is even duidelijk: zonder ingebouwde pedagogiek leidt AI-gebruik juist tot minder reflectie en slechtere prestaties, zoals eerdere studies lieten zien.
Het verschil zat niet in de chatbot, maar in wat eromheen was gebouwd: de volgorde, de uitgewerkte antwoorden en de pedagogische instructie.
04 · Systematische literatuurstudie
Leren van een expert die er niet bij is: sensoren en augmented reality
Using sensors and augmented reality to train apprentices using recorded expert performance: a systematic literature review.
Bron Educational Research Review 25 (2018), 1–22
Auteurs Limbu, Jarodzka, Klemke & Specht, Open Universiteit (Welten-instituut)
Taal Engels · 22 blz. · CC BY-NC-ND 4.0
Dezelfde vraag als in het vorige artikel, zeven jaar eerder en vanuit een andere hoek: wat doe je als de expert niet beschikbaar is om naast de leerling te staan? Waar Harvard de expert laat praten via een taalmodel, kijkt deze Nederlandse literatuurstudie naar het vastleggen van wat een expert doet — handen, blik, kracht, houding — met sensoren, om dat later via augmented reality (AR) aan een leerling terug te geven. Ook hier is Bloom (1984) het vertrekpunt: één-op-één begeleiding werkt het best, maar er zijn niet genoeg experts.
Daar komt een tweede probleem bij dat specifiek is voor vakmanschap. Experts onderschatten hoe moeilijk een taak voor een beginner is, zijn zich niet bewust van alle kennis achter hun eigen handelen, en laten daardoor details weg die de leerling juist nodig heeft. Sensoren kunnen onzichtbare aspecten van een handeling zichtbaar maken. De onderzoekers wilden weten hoe dat in de praktijk is gedaan en hoe je zo’n omgeving pedagogisch verantwoord inricht.
De opzet
De auteurs doorzochten ScienceDirect, SAGE, ACM en SpringerLink op ‘sensor’, ‘augmented reality’, ‘training’ en ‘skill’, beperkt tot 2014–2016, de jaren waarin AR en sensoren snel volwassen werden. Van 268 gescreende samenvattingen bleven 78 studies over die hun prototype, sensoren en doel expliciet beschreven. Uit die studies destilleerden ze instructieontwerpmethoden (IDM’s): terugkerende, domeinonafhankelijke manieren waarop een systeem een leerling ondersteunt. Die methoden ordenden ze vervolgens met het 4C/ID-model van Van Merriënboer.
78studies geanalyseerd
25met een expert als bron
18ontwerpmethoden
4componenten van 4C/ID
Het kader: vier componenten
Het 4C/ID-model beschrijft complex leren in vier componenten. De onderzoekers kozen het omdat het aansluit bij deliberate practice: gericht oefenen met reflectie op de vorige poging, wat zonder mentor moeilijk vol te houden is. Per component vonden zij de volgende methoden in de literatuur.
Component 1LeertaakHele, authentieke taken. Methoden: augmented mirror (jezelf zien als in een dansstudio), augmented path (een virtuele baan om je beweging op te leggen), interactieve virtuele objecten, bediening op afstand.
Component 2Ondersteunende informatieDomeinkennis om een mentaal model te bouwen. Methoden: verrijkte objecten, 3D-modellen en animaties, ‘röntgenblik’ op wat binnenin gebeurt, aanwijzingen en annotaties van de expert, contextinformatie, video vanuit het gezichtspunt van de expert.
Component 3Just-in-time informatieProcedurele hulp precies op het moment dat het nodig is. Methoden: de blik sturen, objecten uitlichten waar de expert naar keek, haptische (voelbare) feedback, formatieve feedback.
Component 4DeeltaakoefeningHerhaling van terugkerende onderdelen tot ze automatisch gaan. Slechts één methode gevonden: summatieve feedback na afloop. De ‘ghost track’ — je eerdere poging of die van de expert als schim naast je — is door de auteurs zelf toegevoegd, naar voorbeeld van racegames.
Wat de studie vond
Sensoren maken het onzichtbare zichtbaar
Infrarood- en dieptecamera’s leggen lichaams- en handbewegingen vast, druksensoren de uitgeoefende kracht, eyetrackers de blikrichting, locatietrackers de plek. Een leerling kan de demonstratie van de expert zo veel rijker terugkijken dan met video alleen — en de opname kan dienen als referentie voor feedback op de eigen uitvoering.
Maar de expert wordt zelden echt vastgelegd
Slechts 25 van de 78 studies betrokken een expert expliciet, en dan vaak via interviews of taakanalyse in plaats van via sensoren. Zeven manieren van vastleggen kwamen naar voren. Alle studies vereisten bovendien handmatige bewerking van de opgenomen data tussen opname en training — precies de extra werklast voor de expert die het systeem zou moeten voorkomen.
Denken laat zich niet meten
Cognitieve processen zijn niet observeerbaar met sensoren. Eyetracking kan bij een taakanalyse helpen om het redeneren van de expert te expliciteren (Jarodzka e.a., 2013); EEG en hartslag zijn verkend maar niet bewezen.
Motivatie blijft buiten beeld
Bijna geen studie bewaakte de moeilijkheidsgraad of de affectieve kant van het oefenen, terwijl dat voor deliberate practice cruciaal is. En elke studie testte één of twee methoden in één domein; of combinaties werken, is onbekend.
Een werkwijze in acht stappen
De bruikbaarste opbrengst van het artikel is een ontwerpvolgorde (tabel 5) voor wie zo’n leeromgeving wil bouwen: begin met een taakanalyse mét de expert; splits de complexe taak in deeltaken en benoem per deeltaak de dominante vaardigheid (motorisch, cognitief, perceptueel, samenwerken); orden ze oplopend in moeilijkheid; leg vast wanneer een leerling door mag; bepaal de ondersteunende en procedurele informatie; neem dan pas de expert op, met de sensoren die de gekozen methoden vereisen; laat de leerling oefenen in dezelfde of een sterk gelijkende omgeving; en sluit af met reflectie, waarbij de expert de gelogde prestaties van de leerling in leesbare vorm krijgt. Het systeem, schrijven de auteurs, kan feedback geven op basis van expertdata — maar de expert niet vervangen.
Grens van het onderzoek
De studie inventariseert wat er is gebouwd, niet of het werkt: de effectiviteit van de methoden is niet beoordeeld, en de meeste bronnen zijn prototypes in één domein (chirurgie, assemblage, sport). De zoekperiode 2014–2016 en het trefwoord ‘sensor’ hebben waarschijnlijk eyetracking-onderzoek gemist, geven de auteurs toe. Het artikel is uit 2018; de techniek is sindsdien flink veranderd, de pedagogische vragen niet. Kleine slordigheid: het aantal gevonden methoden wordt in het artikel als 18, 16 en (in de tabel) 17 opgegeven. Het onderzoek maakte deel uit van het Europese WEKIT-project.
Waarom het naast het Harvard-artikel hoort: beide beginnen bij hetzelfde tekort — de expert is er niet voor iedereen — en kiezen een andere oplossing. De AI-tutor vervangt het gesprek met de expert en werkt voor stof die zich in taal en stappen laat vangen. De sensor-AR-benadering richt zich op wat zich juist niet in taal laat vangen: de stille kennis in handen en ogen. Het eerste is in 2025 voor elke school binnen bereik; het tweede was in 2018 nog toekomstmuziek, maar de ontwerpvragen die het artikel stelt — wat leg je vast, wanneer geef je het terug, en hoe voorkom je dat de expert méér werk krijgt — gelden voor elk praktijkvak.
05 · Lezing & pleidooi
Waarom techniek in de klas een ramp is voor kinderen
The most compelling argument against tech in schools — Sophie Winkleman op de ARC-conferentie, met een nieuwe versie van de lezing in 2026.
Bron After Babel (Jonathan Haidt) · Alliance for Responsible Citizenship
Spreker Sophie Winkleman, actrice en beschermvrouwe van School-Home Support
Vorm Essay (transcript, febr. 2025) · video 18 min (ARC 2026)
Geen onderzoek deze keer, maar een pleidooi. Sophie Winkleman, in Nederland vooral bekend van Peep Show, bezoekt als beschermvrouwe van de Britse liefdadigheidsorganisatie School-Home Support al jaren scholen door het hele land. Wat ze daar zag — ‘kinderen afgeleid in de klas en stil op het schoolplein’ — maakte haar tot een van de zichtbaarste stemmen in het Britse debat over schermen en kinderen. Op de conferentie van de Alliance for Responsible Citizenship in Londen zette ze haar betoog in twintig minuten uiteen. Jonathan Haidt, auteur van The Anxious Generation, publiceerde het transcript op zijn platform After Babel en noemde het het overtuigendste argument tegen technologie in de klas dat hij kende. Een jaar later hield ze op ARC 2026 een nieuwe, aangescherpte versie; die video staat hiernaast.
De kern
Winklemans stelling is tweeledig. Ten eerste: de belofte dat digitale leermiddelen het onderwijs beter maken is nooit ingelost, en het bewijs dat wél bestaat wijst de andere kant op. Ten tweede: de kosten vallen niet bij de leerbedrijven, maar bij kinderen — in concentratie, geheugen, lichaam en gemoed. Haar conclusie is niet dat schermen anders moeten worden ingezet, maar dat de bewijslast moet worden omgekeerd: niet aantonen dat ze schaden, maar aantonen dat ze veilig zijn, voordat ze een klaslokaal in mogen.
7%Britse edtech-bedrijven met een gerandomiseerde trial
97%van de Britse twaalfjarigen heeft een smartphone
7,5 uurschermtijd per dag, 8–18 jaar, buiten school
1 op 3Britse kinderen is bijziend
Vier lijnen in het betoog
Het bewijs voor edtech ontbreekt, het bewijs ertegen groeit
Slechts 7% van de Britse edtech-bedrijven heeft zijn product in een gerandomiseerde trial getoetst, 12% liet het door een derde certificeren. Het Zweedse Karolinska Instituut concludeerde dat digitale middelen het leren eerder belemmeren dan versterken; de OESO stelde vast dat leerlingen die op school veel met computers werken op de meeste uitkomsten slechter presteren, en dat de beloofde winst is uitgebleven. Zweden keert deels terug naar boek en pen.
Het brein leert anders van papier
Met neurologe Cristina Koppel betoogt Winkleman dat concentratie werkt als een spier die getraind wordt door langdurige aandacht, en dat het springerige van online leren die training ondermijnt. Lezen van papier geeft betere tekstopname dan van een scherm; schrijven met de hand verankert kennis beter dan typen of knippen en plakken. Een digitale wandeling door een piramide neemt het kind het verbeelden uit handen — het wordt kijker in plaats van denker.
Wie het maakt, wil het niet voor zijn eigen kinderen
Bill Gates sprak over ‘a lousy record in the classroom’; Steve Jobs gaf zijn kinderen geen iPad; Silicon Valley stuurt zijn kinderen naar de schermvrije Waldorf School of the Peninsula. Daartegenover zet ze twee Britse scholen die het zonder doen: Michaela Community School in Londen, met docentgestuurde lessen en veel overhoren, en Heritage School in Cambridge — rustig, geordend, met leerlingen die zelf om kennis vragen.
De volgende stap is toezicht
Het scherpste deel gaat over wat eraan komt: AI-tutors, camera’s en spraakherkenning in de klas, examens die in het Verenigd Koninkrijk vóór 2030 volledig digitaal moeten, en een sector die inmiddels honderden miljarden waard is. Winkleman ziet daar geen pedagogische vraag achter, maar een commerciële, en vraagt om openheid over wat scholen aan edtech uitgeven tegenover wat ze aan docenten besteden.
“The question isn’t ‘What’s the best way to take arsenic?’ but ‘Should we be taking arsenic in the first place?’”
Jared Horvath, aangehaald door Winkleman
Wat ze voorstelt
Schermen drastisch terugdringen in de klas; smartphones de hele schooldag buiten de deur; ouders het recht geven om voor hun kind papier en pen te kiezen; de bewijslast omdraaien; het geld dat nu naar licenties gaat besteden aan het werven, opleiden en behouden van goede docenten; en op school juist datgene cultiveren wat AI niet kan — lezen, luisteren, concentreren, welsprekend discussiëren, iets maken. ‘The most powerful learning tool in the classroom is an excellent teacher,’ citeert ze conrector David James.
Grens van het stuk
Dit is een betoog, geen studie: de cijfers komen uit uiteenlopende bronnen (Britse overheidsstatistiek, OESO, Karolinska, persberichten) en worden in de tekst niet met verwijzingen onderbouwd. Sommige claims zijn goed gedocumenteerd, zoals de OESO-bevinding over computergebruik en de Zweedse koerswijziging; andere, zoals de stralingsopmerking over digitale schoolborden, niet. Winkleman spreekt vanuit het Britse stelsel, waar de examenboards en de smartphonedichtheid anders liggen dan hier. En de lezing maakt geen onderscheid tussen soorten inzet: een rekenprogramma dat oefent, een tablet als leesboek en een telefoon in de broekzak worden onder één noemer gebracht. Lees hem daarom naast artikel 03, dat laat zien wat een zorgvuldig gebouwde AI-tutor in één specifieke situatie wél kan — precies de nuance die dit pleidooi bewust niet maakt.
Niet: hoe zetten we schermen goed in? Maar: wie moet bewijzen dat ze de klas in mogen?
06 · Casestudy & beleidsnotitie
Goed lesmateriaal leert niemand iets: het klimaat in de wiskundeles
Cultivating Math Mindsets: State and District Policies That Support Teachers and Student Learning.
Bron Learning Policy Institute (VS), september 2026
Auteurs Julie Fitz & Heather Price
Taal Engels · 10 blz. · CC BY-NC 4.0
Amerikaanse staten proberen hun wiskundeprestaties op te krikken met beter lesmateriaal. Deze beleidsnotitie zegt: dat is nodig, maar het is de helft van het verhaal. ‘These materials alone do not teach students.’ Leerlingen leren wiskunde pas echt als ze zich veilig voelen om fouten te maken, als ze ervaren dat ze erbij horen en als ze geloven dat ze beter kunnen worden. De auteurs laten aan de hand van tien docenten zien hoe dat er in de klas uitziet, en wat scholen en besturen doen om het te helpen of juist te hinderen.
De aanleiding is dubbel. De VS scoren al jaren onder vergelijkbare landen in PISA, en corona heeft de achterstand vergroot. Daarnaast haken leerlingen af: in een RAND-onderzoek zei de helft van de leerlingen in het voortgezet onderwijs dat ze minstens de helft van de tijd hun interesse in de wiskundeles verliezen. Ongeveer één op de tien is zelden betrokken. Wiskundedocenten zeggen zelf minder zeker te zijn dan andere docenten dat ze hun leerlingen erbij kunnen houden.
De opzet
Een kwalitatieve casestudy onder tien wiskundedocenten van de onderbouw (middle school, ongeveer leerjaar 1 en 2 bij ons) op vijf scholen in drie districten in Zuid-Californië. De docenten zijn geselecteerd omdat ze in hun klas een goed leerklimaat wisten te scheppen. De onderzoekers interviewden hen en observeerden lessen. Het kader komt uit een eerdere literatuursynthese van het instituut. Die noemt vier voorwaarden voor productief wiskundeleren: positieve relaties, een gevoel van erbij horen, een groeimindset en instructie van hoge kwaliteit.
10docenten, geobserveerd en geïnterviewd
5 · 3scholen · districten
50%leerlingen haakt minstens de helft van de tijd af
4klasvoorwaarden die elkaar versterken
Vier voorwaarden, zoals deze docenten ze invullen
Positieve relaties
Een warme, voorspelbare houding. Wie afdwaalt, wordt rustig teruggehaald en niet gestraft. Leerlingen met faalangst voor wiskunde worden beschermd tegen situaties die de angst vergroten. De docenten verdiepen zich in achtergrond en interesses van leerlingen en gebruiken dat in de les. Samenwerken, korte uitwisselingen en groepswerk zijn vaste routines met duidelijke omgangsregels, zodat de sociale energie van pubers in het leren terechtkomt.
Erbij horen, ook in wiskunde
Leerlingen bij de deur begroeten en systematisch rondlopen tijdens het werken. Belangrijker nog is het gevoel iemand te zijn die wiskunde kán. Daarvoor gebruiken de docenten open opgaven zonder één goed antwoord, waar iedereen aan kan beginnen, en zetten ze het wiskundig denken van een leerling publiek in het licht. Het compliment is specifiek en echt: ‘“You can do it” — no, that doesn’t cut it with them.’
Groeimindset, in woorden én in keuzes
Steeds herhalen dat wiskundige vaardigheid groeit door inspanning en dat worstelen bij het begin normaal is: ‘Vandaag is de eerste dag, niemand verwacht dat je het al kunt.’ Maar vooral: het ook zo inrichten. Groepen worden willekeurig ingedeeld en niet op niveau. Het compliment gaat naar de redenering en niet naar het goede antwoord. Fouten worden gewoon gemaakt, en een toets mag herkanst worden.
Instructie die past bij hoe leerlingen leren
Korte blokken directe instructie, gevolgd door ruime tijd om samen te oefenen. De docent loopt rond, ziet het denken ontstaan en geeft direct gerichte feedback, vóór een misvatting vastzit. Leerlingen leggen de stof aan elkaar uit in ‘kindertaal’. Voorkennis wordt eerst opgehaald, en achter elke procedure zit uitleg waarom die werkt. Vaktaal is een leerdoel en geen toegangseis: de docent bevestigt het begrip achter een slordige formulering en reikt dan het juiste woord aan.
Wat helpt en wat hindert
Op schoolniveau noemen de docenten drie dingen die hen helpen: extra handen in de klas (onderwijsassistenten, stagiairs), die ambitieuzer groepswerk mogelijk maken; samenwerking met vakcollega’s, met gezamenlijke voorbereidingstijd en gedeeld materiaal; en duidelijke afspraken van de schoolleiding, zodat dat overleg over verbetering gaat. Een voorbeeld is Stephens Middle School. Daar werken alle wiskundedocenten met dezelfde routines: groepjes aan whiteboards aan de muur en een ‘Prove It’-opdracht aan het eind van elke les. Schoolbreed schrijven leerlingen korte antwoorden volgens claim, bewijs, redenering. Personeelsvergaderingen gaan over leerlingresultaten en de invoering, en het rooster heeft een extra wiskundeuur voor wie achterloopt, bij de eigen docent en zonder dat er een keuzevak voor vervalt.
Wat hindert: een strak tempo-schema dat doorgaat voordat de stof beheerst wordt, en standaardtoetsen zonder herkansing. Beide botsen met de boodschap dat je mag groeien. Ook de leerlingenquêtes over het klasklimaat bleken onbruikbaar: te zelden afgenomen, en alleen gerapporteerd per jaarlaag of school, niet per klas. De docenten vertrouwen daarom op hun eigen waarneming. Dat doen ze goed, maar onderzoek laat zien dat wat een docent opmerkt nooit helemaal objectief is. Ze willen zelf tijdige gegevens per klas.
“These practices are mutually reinforcing, and they set up students to engage productively, without fear, in classroom instructional opportunities.”
Fitz & Price, 2026
Wat dit voor een docent betekent
De essentie: klimaat en kwaliteit zijn geen concurrenten. Tijd besteden aan relaties en veiligheid gaat niet ten koste van de stof, want pas als leerlingen durven fouten te maken, benutten ze goede instructie. Concreet, voor de eigen les:
Begin bij de deur
Begroet leerlingen, ken hun namen en iets van hun interesses, en loop tijdens het werken systematisch langs iedereen, niet alleen langs wie een vinger opsteekt.
Houd uitleg kort en laat daarna samen werken
Tien minuten instructie en dan oefenen in tweetallen of groepjes, met vaste afspraken. Laat leerlingen de stof aan elkaar uitleggen. Loop rond en corrigeer misvattingen meteen.
Geef opgaven waar iedereen in kan
Begin met een open vraag, ‘Which one doesn’t belong?’ of ‘Wat valt je op, wat vraag je je af?’, zodat ook zwakkere leerlingen iets zinnigs kunnen zeggen.
Prijs de redenering, niet het antwoord
Benoem specifiek wat iemand wiskundig goed deed. Een algemeen ‘jij kunt dit’ werkt niet; een echte observatie van groei wel.
Laat je keuzes de groeiboodschap dragen
Deel groepen willekeurig in, bespreek fouten openlijk als leermateriaal en geef een tweede kans op een toets. Een poster met ‘fouten zijn leerzaam’ en daarnaast een toets zonder herkansing spreken elkaar tegen.
Leg uit waarom, en maak vaktaal een leerdoel
Leer geen stappen zonder de gedachte erachter. Neem een onhandige formulering serieus en reik dan het juiste woord aan.
Vraag de klas hoe zij het ervaren
Vertrouw niet alleen op je eigen blik. Een korte vragenlijst per klas laat zien wat je mist. Zie ook artikel 01.
Voor de sectie en de schoolleiding volgt eruit: maak tijd voor gezamenlijke voorbereiding en afspraken over lesroutines, zet extra ondersteuning in de klas, en kijk of het tempo-schema en de herkansingsregels passen bij wat je van leerlingen vraagt.
Grens van het onderzoek
Dit is een beleidsnotitie bij een kleine kwalitatieve studie, geen effectonderzoek. Tien docenten, gekozen omdat ze het al goed deden; er is geen vergelijkingsgroep en er zijn geen leerlingresultaten gemeten. De studie laat zien hóe goede docenten de vier voorwaarden invullen, niet dat die aanpak tot hogere cijfers leidt. Dat bewijs komt uit de eerdere literatuursynthese, die hier niet opnieuw wordt getoetst. Over losse groeimindset-interventies is de onderzoeksliteratuur bovendien verdeeld: meta-analyses vinden gemiddeld kleine effecten. Deze notitie beschrijft mindset daarom ook niet als losse training, maar als iets wat in instructie, groepsindeling en toetsbeleid zit. De beleidsaanbevelingen richten zich op Amerikaanse staten (richtlijnen, lerarenopleiding, nascholingsgeld). Het onderzoek is gefinancierd door de Gates Foundation.
Leerlingen gebruiken goede instructie pas als ze durven fouten te maken. Daarom hoort het klimaat in de les bij de instructie.
07 · Onderzoeksjournalistiek
Minder meten terwijl de scores dalen
Trump administration guts data collection on US education as math and reading scores plummet.
Bron The Guardian, serie Deleted data · 25 september 2026
Auteur Amy Qin, met visualisaties van Flávio Pessoa
Vorm Artikel · Engels · ca. 8 min · gratis
De lees- en rekenscores van Amerikaanse leerlingen staan op het laagste punt in vijfentwintig jaar. Juist nu heeft de VS minder middelen om te begrijpen waarom, en om te toetsen wat ertegen helpt. Dat is de strekking van dit artikel in de Guardian-serie Deleted data, over overheidsinformatie die verdwijnt. Het gaat over het National Center for Education Statistics (NCES), een weinig bekend federaal statistiekbureau dat decennialang heeft bijgehouden hoe het Amerikaanse onderwijs ervoor staat.
Het NCES verzorgt onder meer The Nation’s Report Card (NAEP), de landelijke peiling van wat leerlingen kennen in rekenen, lezen, schrijven, natuurwetenschappen en geschiedenis. De cijfers van het bureau worden ook gebruikt om beleid te maken en geld over schooldistricten te verdelen. Toen de regering-Trump in 2025 bijna de helft van het ministerie van Onderwijs ontsloeg en het ‘department of government efficiency’ (Doge) voor bijna 900 miljoen dollar aan contracten liet opzeggen, behoorde het NCES tot de zwaarst getroffen onderdelen.
Wat er is geschrapt
Vrijwel al het werk van het bureau werd abrupt stopgezet. Volgens een tracker van de American Statistical Association, gebaseerd op openbare informatie, liggen de meeste lopende gegevensverzamelingen en rapportages nu stil of zijn ze ingeperkt. Het gaat om onderzoek naar zowel het funderend als het hoger onderwijs, waaronder enquêtes naar wapens en geweld op scholen en onderzoek naar hoe studenten hun studie betalen. Het ministerie beantwoordde de vraag van de Guardian niet hoeveel gegevensverzamelingen zijn beëindigd.
100 → 4medewerkers NCES na de ontslagen
12medewerkers nu, na herbenoemingen
$900 mlnaan contracten opgezegd door Doge
$47 mlncontract ECLS, halverwege gestopt
Vier lijnen in het artikel
Vooral de langlopende studies zijn geraakt
Veel van wat Doge stopte waren longitudinale studies: onderzoek dat dezelfde leerlingen jarenlang volgt. Alleen zulke data laten zien wat een specifieke maatregel heeft opgeleverd en waar een trend, zoals dalende leesscores, vandaan komt. Een momentopname zoals de NAEP laat zien dát het slechter gaat, maar niet waarom.
Het pijnlijkste voorbeeld: de eerste kinderen van na corona
De Early Childhood Longitudinal Study (ECLS) volgt sinds 1998 telkens een landelijke groep kinderen van de kleuterklas tot groep 7 (fifth grade), met toetsen en vragenlijsten voor ouders, leerkrachten en schoolleiders. De derde ronde was in het najaar van 2023 begonnen met 15.000 kinderen die toen aan de kleuterklas begonnen: de eerste groep die na corona instroomde, met nieuwe vragen over opvang en hybride les. Het contract werd geschrapt toen uitvoerder Westat de vervolgmeting voorbereidde. ‘Now we’ll never know,’ zegt oud-directeur Peggy Carr, die na bijna veertig jaar bij het bureau werd ontslagen. De ECLS is in bijna 3.000 wetenschappelijke publicaties gebruikt, onder meer over vroege leesvaardigheid als voorspeller van latere leesvaardigheid en over hele tegenover halve dagen kleuteronderwijs.
Bezuinigen op werk dat al betaald was
Sommige studies werden in hun laatste jaren gestopt: de Beginning Postsecondary Students-studie, die ruim 30.000 studenten volgde vanaf hun start in 2019 tot 2025, en de High School Longitudinal Study, die 23.000 leerlingen volgde vanaf hun eerste jaar high school in 2009 tot begin dertig. Het meeste werk was dan al gedaan. Bij studies die net liepen, zoals de ECLS, was het geld voor de opzet (steekproef, scholen en gezinnen werven, vragenlijsten) grotendeels al uitgegeven. Daarbovenop betaalde het ministerie contractanten opzegvergoedingen van enkele miljoenen dollars.
Rechtszaken brengen een deel terug
Verschillende organisaties zijn tegen de bezuinigingen naar de rechter gestapt. Sindsdien zijn enkele gegevensverzamelingen hervat, waaronder de National Postsecondary Student Aid Study, de belangrijkste bron over hoe studenten hun studie bekostigen, en de Baccalaureate and Beyond-studie, die afgestudeerden tien jaar volgt. Het ministerie stelt dat het nog steeds gegevens verzamelt, waaronder de NAEP, en dat het NCES ‘in need of reform’ was.
“Dismantling a statistical agency is just shooting the messenger. It makes no more sense than saying: ‘I’m going to just fire my accountant because I can’t control my spending.’”
Carolyn Grim, vijftien jaar statisticus bij het NCES
Waarom dit ook buiten de VS telt
Het artikel gaat over Amerika, maar het mechanisme is algemeen. Een land, een bestuur of een school die wil weten of een interventie werkt (meer kleuteruren, een nieuwe leesaanpak, vroegschoolse educatie) heeft gegevens nodig over dezelfde leerlingen door de tijd heen. Onderwijshoogleraar Daphna Bassok (University of Virginia) zegt het zo: er wordt veel geïnvesteerd in vroeg onderwijs, maar zonder zulke studies is er geen instrument meer om te zeggen in hoeverre het gewerkt heeft. Zulke reeksen kosten jaren om op te bouwen en zijn niet in te halen: een cohort dat niet gevolgd is, kun je achteraf niet meer volgen.
Grens van het stuk
Dit is journalistiek, geen onderzoek. De bronnen zijn vooral oud-medewerkers van het NCES, onderzoekers en belangenorganisaties die zelf tegen de bezuinigingen procederen; het ministerie reageert alleen met een algemene verklaring. Het artikel noemt de dalende scores in de kop, maar de tekst onderbouwt die daling niet verder en beweert ook niet dat de bezuinigingen de daling veroorzaken: de daling was al zichtbaar vóór 2025. De stelling is dat het land nu slechter in staat is de daling te verklaren en te bestrijden. Het overzicht van stopgezette studies is niet volledig, omdat het ministerie daarover geen opgave deed.
Een daling die je niet meer kunt verklaren, kun je ook niet gericht bestrijden.
08 · Meta-analyse
Docenten die goed in hun vel zitten, leerlingen die meer leren
Our research found a new reason to keep teachers happy: it’s linked to how well students do.
Bron Phys.org, overgenomen van The Conversation · 8 oktober 2026
Auteur Theresa Dicke, over eigen onderzoek in Educational Psychology Review
Vorm Artikel · Engels · ca. 6 min · gratis
Het welzijn van docenten wordt meestal besproken als een kwestie van behoud: wie het werk niet meer aankan, vertrekt, en het lerarentekort groeit. Theresa Dicke en collega’s voegen daar een tweede reden aan toe. In de grootste synthese tot nu toe van het onderzoek naar dit verband vinden ze dat docenten die beter in hun vel zitten, leerlingen hebben die gemotiveerder zijn en betere resultaten halen.
De aanleiding is de bekende: de OESO meldt dat scholen wereldwijd steeds moeilijker bevoegde docenten vinden en vasthouden. In Australië, waar Dicke werkt, zegt minstens een derde van de docenten het vak vóór hun pensioen te willen verlaten, en vond in 2023 zeven op de tien de werkdruk onbeheersbaar. Dat docentwelzijn samenhangt met wat er in de klas gebeurt, werd al langer vermoed. Maar het bewijs zat verspreid over veel kleine, losse studies, zonder één schatting van hoe groot en hoe betrouwbaar dat verband is.
De opzet
De onderzoekers zochten alle studies die het welzijn of juist het ‘onwelzijn’ van docenten in verband brengen met de motivatie of prestaties van leerlingen, in het primair, voortgezet en gecombineerd onderwijs. Welzijn is ruim opgevat: geloof in eigen kunnen (self-efficacy), werktevredenheid en betrokkenheid, werkmotivatie en algemeen psychisch functioneren, zoals een positieve stemming en het aankunnen van de eisen van het werk. De keerzijde omvat burn-out, stress, depressie, angst en andere signalen van psychische belasting. Aan leerlingkant ging het om prestaties (cijfers, toetsscores) en motivatie (interesse, doelen, geloof in eigen kunnen).
186studies
350.000+docenten
33landen
1977–2023publicatiejaren
Vier bevindingen
Welzijn van de docent gaat samen met betere leerlinguitkomsten
Hoe hoger het welzijn van docenten, hoe hoger de motivatie en de prestaties van hun leerlingen. Dat verband kwam consistent terug over de studies heen. Werktevredenheid, werkmotivatie en algemeen psychisch functioneren lieten ongeveer even sterke verbanden zien.
Psychische belasting wijst de andere kant op, iets zwakker
Bij docenten met meer burn-out, stress of andere klachten waren de uitkomsten van leerlingen slechter. Dat verband was iets zwakker dan dat met welzijn.
In het voortgezet onderwijs sterker dan in het primair
Het verband tussen docentwelzijn en leerlinguitkomsten was sterker op de middelbare school dan op de basisschool. De auteurs opperen dat jonge kinderen door meer invloeden worden gevormd, ook door hun ouders, terwijl oudere leerlingen zelfstandiger leren maar voor de inhoud meer op hun docent leunen. Bij psychische belasting zagen ze dit verschil níet, en daar hebben ze nog geen verklaring voor.
Waaróm, is nog niet getoetst
Twee verklaringen liggen voor de hand. Docenten van wie de eigen behoefte aan autonomie, competentie en verbondenheid vervuld is, geven vaker les op een manier die de autonomie en motivatie van leerlingen steunt. En docenten die het goed maken, kunnen beter een klas leiden, sterkere relaties met leerlingen opbouwen en motiverend lesgeven. Beide zijn aannemelijk, maar dit onderzoek heeft ze niet rechtstreeks getest.
Wat de auteurs aanbevelen
Werkdruk is de meest genoemde bron van stress, dus beleidsmakers moeten blijven kijken hoe taken en lesuren zich tot elkaar verhouden. Daarnaast noemen de auteurs wat aantoonbaar helpt om het werk vol te houden: een behapbare werklast, steunend schoolleiderschap en goede collegiale verhoudingen. Geen snelle oplossingen, schrijven ze, en ze kosten geld, maar ze zijn het waard voor de leerlingen in de klas, niet alleen voor de docent ervoor.
Grens van het onderzoek
De gevonden verbanden zijn klein tot matig. Ze zijn consistent genoeg om serieus te nemen, maar docentwelzijn is maar één van de factoren die bepalen hoe een leerling het in een jaar doet; de verbanden zijn even groot als die van andere bekende factoren, zoals de kwaliteit van de relatie tussen docent en leerling. Bovendien is het onderzoek correlationeel: het laat zien dat welzijn en leerlinguitkomsten samen op- en neergaan, niet dat het een het ander veroorzaakt. Een goede schoolleider kan bijvoorbeeld tegelijk het welzijn van docenten en het leerklimaat van de school verbeteren, zonder dat het een uit het ander volgt.
Zorg voor de docent is ook zorg voor de leerling, al is nog niet bewezen hoe.
09 · Internationale vergelijking
Jongens vinden hard werken minder belangrijk
Gender differences in attitudes toward academic effort and boys’ underachievement: A large-scale international study
Bron PNAS Nexus 5(10), pgag316 · 13 oktober 2026
Auteur Clotilde Napp, CNRS en Université Paris-Dauphine
Vorm Onderzoeksartikel · Engels · ca. 20 min kerntekst · open access, CC BY 4.0
In de meeste ontwikkelde landen halen meisjes betere cijfers dan jongens, vallen jongens vaker uit en gaan ze minder vaak door naar het hoger onderwijs. Over de oorzaak van die ‘jongenscrisis’ wordt veel gezegd. Clotilde Napp kijkt naar één kandidaat die in eerder onderzoek steeds terugkwam, maar nooit op deze schaal is vergeleken: hoe belangrijk vinden jongens en meisjes het om op school hun best te doen?
Haar uitkomst is eenduidig. Vrijwel overal onderschrijven jongens minder sterk dan meisjes dat hard werken op school belangrijk is. Waar dat verschil groter is, presteren jongens relatief slechter en zijn ze sterker ondervertegenwoordigd in het hoger onderwijs. De interessante gedachte daarachter: de achterstand van jongens hoeft niet alleen een didactisch of individueel motivatieprobleem te zijn. Ook de sociale betekenis van inspanning speelt mogelijk mee. Wie zichtbaar zijn best doet, loopt onder jongens het risico als minder talentvol of als onmannelijk te worden gezien.
De opzet
Napp gebruikt de PISA-gegevens van 2012 en 2018, de enige twee rondes waarin leerlingen deze vragen kregen. De hoofdmaat is één stelling: ‘Trying hard at school is important’, met antwoorden van helemaal oneens tot helemaal eens. Alle resultaten herhaalt ze met een PISA-index van vier stellingen over de houding tegenover leren. Ze vergelijkt jongens en meisjes binnen elk land, koppelt dat aan prestaties en aan OESO-cijfers over het hoger onderwijs, en kijkt daarna of landen met een groter verschil ook sterkere genderstereotypen hebben.
764.461vijftienjarigen
61landen
0,20 SDgemiddelde kloof
60 van 61landen met kloof (p < 0,01)
Vier bevindingen
De kloof is bijna universeel, en het grootst in rijke landen
Gemiddeld scoren jongens 0,20 standaarddeviatie lager. Het verschil loopt van 0,05 in Zuid-Korea tot 0,36 in Noorwegen; per regio is het het kleinst in Oost- en Zuidoost-Azië (0,13) en het grootst in de Noordse landen en het Midden-Oosten en Centraal-Azië (0,28). Het verschil blijft staan bij gelijk sociaaleconomisch milieu, opleiding van de ouders, gezinsvorm en zittenblijven. Opvallend: hoe welvarender en hoe gelijker een land, hoe groter de kloof (correlatie met sociaaleconomische status van het land R = 0,55). Napp spreekt van een ‘gender equality paradox’ voor inspanning.
Houding hangt samen met prestaties, vooral bij lezen
Leerlingen die hard werken belangrijker vinden, scoren hoger in wiskunde, lezen en natuurwetenschappen en zijn minder vaak laagpresteerder. Het verband is het sterkst bij lezen, en bij lezen sterker voor jongens dan voor meisjes. Tussen landen: één standaarddeviatie meer inspanningskloof gaat samen met 0,46 SD meer achterstand van jongens in lezen en 0,35 SD in wiskunde.
Minder jongens in het hoger onderwijs, behalve in STEM
In alle landen behalve Zuid-Korea is minder dan de helft van de 19- tot 22-jarige studenten man (gemiddeld 44%). Hoe groter de inspanningskloof, hoe lager dat aandeel (R = −0,51), het duidelijkst in kunst en geesteswetenschappen (R = −0,42). In bèta- en techniekrichtingen is er geen verband; jongens zijn daar niet minder van plan wiskunde te gaan studeren.
De kloof loopt op met genderstereotypen
Landen met een grotere inspanningskloof hebben ook een groter verschil in groeimindset (R = 0,42) en sterkere stereotypen die carrière aan mannen en gezin aan vrouwen koppelen (R = 0,43) of zorgzaamheid vooral van vrouwen verwachten (R = 0,44). Meisjes zijn bovendien vaker bang dat ze ‘niet genoeg talent’ hebben (0,38 SD vaker dan jongens). Napps voorzichtige lezing: meisjes twijfelen aan hun talent en compenseren met inspanning; jongens leunen op verondersteld talent en waarderen een inspanning die als vrouwelijk geldt minder. Eerder Amerikaans onderzoek dat ze aanhaalt vond dat jongens 1,75 keer zo vaak als meisjes verwachtten impopulair te worden als ze hard werkten, en 1,5 keer zo vaak dat ze werden uitgelachen.
Wat de auteur aanbeveelt
Napp pleit ervoor een positievere houding tegenover inspanning bij jongens te bevorderen, vooral in welvarende landen: een groeimindset stimuleren, benadrukken dat succes voor jongens én meisjes uit leren en oefenen voortkomt, en de norm aanvechten dat schoolwerk niet bij jongens past. Rolmodellen die die norm doorbreken, ook in richtingen waar jongens ondervertegenwoordigd zijn zoals de geesteswetenschappen, kunnen daarbij helpen. Ze tekent er zelf bij aan dat de betere houding van meisjes niet vanzelf leidt tot meer vrouwen in de best betaalde studies, en dat lagere schoolprestaties van jongens niet automatisch slechtere kansen op de arbeidsmarkt betekenen.
Wat dit voor een gymnasium betekent
Op een gymnasium kan ‘slim zijn zonder ervoor te werken’ gemakkelijk status krijgen. Het onderzoek geeft geen recept, maar wel vragen die een school zichzelf kan stellen. Dit zijn onze vragen, niet die van de auteur:
Wat levert onder leerlingen aanzien op?
Wordt een leerling bewonderd om een hoog cijfer zonder te leren, of ook om een cijfer dat zichtbaar met werk is verdiend? Vraag het leerlingen zelf, bijvoorbeeld in een mentorles of leerlingenpanel.
Wat prijzen docenten?
Gaat lof vooral naar het juiste antwoord en de snelheid, of ook naar een herschreven betoog, een tweede poging en volharding bij een moeilijke opgave? Zie ook artikel 06 over het prijzen van de redenering.
Ervaren jongens en meisjes dezelfde verwachtingen?
Krijgen jongens vaker ‘hij kan het wel, als hij maar wil’ en meisjes vaker ‘zij werkt hard’? Die twee zinnen dragen precies het beeld uit dat in dit onderzoek terugkomt: talent voor jongens, inspanning voor meisjes.
Hoe maak je hard werken zichtbaar zonder het als tekort te presenteren?
Oud-leerlingen, docenten en oudere leerlingen kunnen laten zien hoeveel oefening achter hun resultaat zat, juist als zij als ‘goed’ bekendstaan.
Grens van het onderzoek
Dit is observationeel onderzoek met zelfrapportages. Het meet wat leerlingen zeggen over het belang van inspanning, niet hoeveel moeite ze werkelijk doen, en de hoofdmaat is één enkele stelling. Het verschil van 0,20 SD is klein tot matig. De verbanden tussen landen zijn correlaties: ze laten zien dat inspanningskloof, prestaties en stereotypen samen optreden, niet dat het een het ander veroorzaakt. Napp wijst er zelf op dat het ook omgekeerd kan werken: jongens die minder kans zien op hoger onderwijs, kunnen school daardoor minder gaan waarderen. Het onderzoek gaat over vijftienjarigen in PISA-landen en bewijst dus niet dat een school de prestatiekloof verkleint door aan de inspanningscultuur te werken. Juist die combinatie van een groot internationaal patroon, een verrassende culturele verklaring en een heldere bewijsgrens maakt het een goed stuk om samen te lezen.
Wie hard werken laat doorgaan voor gebrek aan talent, maakt het jongens moeilijk om hun best te doen.
10 · Implementatieonderzoek
Beter toegerust, maar is het de aanpak?
Evaluation of a school-wide trauma-informed approach in primary and secondary schools in the Netherlands: teacher outcomes in the first year of implementation
Vorm Onderzoeksartikel · Engels · 15 blz. · open access, CC BY 4.0
Traumasensitief onderwijs is een onderwerp waarbij de overtuiging gemakkelijk vóór het bewijs uitloopt. Wie ziet hoe ingrijpende jeugdervaringen doorwerken in gedrag, concentratie en schoolresultaten, wil iets doen. Dit Nederlandse onderzoek laat zien hoe je een veelbelovende aanpak serieus neemt zonder te vroeg te concluderen dat hij werkt.
Het onderzoeksteam volgde acht scholen twee jaar lang: één jaar vóór en één jaar tijdens de invoering van een schoolbrede traumasensitieve aanpak. De leraren rapporteerden na de training meer traumakennis, meer vertrouwen in hun eigen handelen en betere relaties met leerlingen, en ze vertelden dat ze probleemgedrag anders waren gaan lezen. Maar in het jaar vóór de invoering verbeterde er ook al het een en ander, en het verschil tussen beide jaren was niet statistisch overtuigend. De vooruitgang is dus niet aan de aanpak toe te schrijven.
De opzet
Twee reguliere basisscholen en zes scholen voor speciaal onderwijs (primair en/of voortgezet), alle zes voor leerlingen met ernstige gedrags- en emotionele problemen. De aanpak bestond uit een boek, een teamtraining van twaalf uur (acht modules van anderhalf uur, gegeven door interne trainers) en een implementatiehandboek. Na elke module paste het team één inzicht toe bij één leerling; de laatste module mondde uit in een implementatieteam met een eigen actieplan voor de school. Zelfvertrouwen en klassenklimaat werden zes keer gemeten, drie keer per schooljaar; traumakennis vlak vóór en na de training. Vijf focusgroepen met achttien medewerkers vulden de cijfers aan.
8scholen, 6 in het speciaal onderwijs
110leraren
6meetmomenten in twee jaar
12 uurteamtraining
Vier bevindingen
De ervaren traumakennis groeide, maar bescheiden
Direct na het theoretische en praktische deel van de training schatten leraren hun kennis van trauma hoger in dan ervoor. Het effect is klein (d = 0,33), en het gaat om hoe leraren hun eigen kennis inschatten, niet om een kennistoets.
Zelfvertrouwen en klassenklimaat gingen vooruit, maar ook al het jaar ervoor
Tijdens het invoeringsjaar namen het zelfvertrouwen van leraren toe, vooral in omgaan met veranderingen en in samenwerken met ouders en collega’s, en verbeterden sfeer, relaties tussen leerlingen en orde in de klas. Aan het eind van het invoeringsjaar lagen sfeer en relaties hoger dan aan het eind van het basisjaar. Alleen bij de relaties tussen leerlingen was er groei in het invoeringsjaar en niet in het jaar ervoor. Toch was geen enkel verschil in groei tussen de twee jaren statistisch significant.
Leraren lazen gedrag anders
In de focusgroepen beschreven medewerkers dat ze zich meer bewust waren van trauma, gedrag anders interpreteerden en zich zekerder voelden. Ze noemden ook het belang van steun van collega’s en van zelfzorg, die door de training juist een gewenst thema werd. Bewustzijn omzetten in consequent handelen bleef lastig.
Training alleen is niet genoeg
Leraren begrepen de principes, maar vroegen om concrete middelen om ze in de klas toe te passen: intervisie rond leerlingcasussen, coaching op de werkvloer en opfriscursussen, praktische oefeningen voor emotieregulatie en aandacht voor de belasting van het team zelf. De onderzoekers voegen eraan toe dat volledige invoering vermoedelijk minstens drie jaar vraagt en staat of valt met schoolleiders die de aanpak in routines en beleid verankeren.
Wat dit voor Cygnus betekent
Dit is geen pleidooi om meteen een nieuw programma in te voeren. De interessantere vraag is of docenten genoeg gezamenlijke taal en ondersteuning hebben om achter ontregelend gedrag ook stress, onveiligheid of overbelasting te herkennen, zonder grenzen en hoge verwachtingen los te laten. Dit zijn onze vragen, niet die van de auteurs:
Bespreken we gedrag als signaal of alleen als regelovertreding?
Is er in leerlingbesprekingen ruimte voor de vraag wat er achter het gedrag zit, naast de vraag welke afspraak geschonden is?
Waar oefenen docenten, niet alleen leren?
De leraren in dit onderzoek wisten na de training meer, maar vonden het moeilijk dat in de klas toe te passen. Intervisie aan de hand van een echte casus en coaching in de les zijn waarschijnlijk meer waard dan een extra studiemiddag.
Wie draagt de belasting van de docent?
Wie dagelijks met ontregelde leerlingen werkt, heeft zelf steun nodig. Dat raakt aan artikel 08 over docentwelzijn.
Hoe meten we of iets werkt?
Wie een aanpak invoert, doet er goed aan vooraf vast te leggen wat er anders moet worden en dat ook vóór de invoering al te meten. Zonder dat vergelijkingspunt is vooruitgang niet van gewone ontwikkeling te onderscheiden.
Grens van het onderzoek
De auteurs zijn zelf duidelijk over de beperkingen. Er was geen vergelijkingsgroep: het basisjaar van dezelfde scholen moest die rol vervullen. De uitkomsten zijn zelfrapportages van leraren, niet waarnemingen in de klas of leerlingresultaten. Zes van de acht scholen zijn scholen voor speciaal onderwijs met leerlingen met ernstige problemen, dus de uitkomsten zijn niet zomaar over te zetten naar een reguliere school. Met acht scholen kunnen verschillen bovendien significanter lijken dan ze zijn. En corona verstoorde de invoering: twee scholen moesten overstappen op online training, drie stelden het grootste deel uit, en twee hadden de training aan het eind van het jaar nog niet afgerond. Juist daarom is het een sterk stuk om samen te lezen: het laat zien hoe je veelbelovende signalen serieus neemt zonder ze als bewezen effect te presenteren.
Een training die bewustzijn creëert, verandert het dagelijkse handelen nog niet vanzelf.
11 · Adviesverhaal
Ruimte voor verschil, houvast in het gesprek
Over identiteit, diversiteit en de omgang met ongemak op school.
Voor schoolleiders en docenten
Basis drie bronnen
Leestijd circa 12 minuten
Stel je een leerlingbespreking voor. Een leerling haalt behoorlijke cijfers, maar is stil in de les, vraagt weinig hulp en doet niet vanzelf mee. Iemand zegt: ‘Hij past misschien toch niet zo goed op het gymnasium.’ Een collega vraagt: ‘Welk gedrag bedoelen we precies? En hebben we hem zelf al gevraagd hoe hij de lessen ervaart?’ Op dat moment wordt het gesprek interessant. Een vertrouwd oordeel blijkt een vraag te bevatten.
Deze verzonnen situatie raakt aan een praktische opgave voor iedere school: hoe geef je ruimte aan verschillen, terwijl je samen helder blijft over wat je van leerlingen en collega’s verwacht? Drie bronnen helpen om die vraag te onderzoeken. Kath Woodward beschrijft hoe identiteit ontstaat in de verhouding tussen mensen en hun omgeving. Adam Galinsky en collega’s bespreken wanneer diversiteit kan bijdragen aan beter denken en samenwerken. Marieke Slootman en collega’s onderzoeken in een conceptueel artikel hoe ongemak rond verschillen een belemmering én een aanleiding voor inclusie kan zijn. [1–3]
Het advies
Neem verschillen serieus. Maak verwachtingen en beslissingen inzichtelijk. Geef mensen ruimte om bij te dragen, en bescherm hun waardigheid wanneer het gesprek moeilijk wordt.
Dit verhaal verbindt de drie teksten en vertaalt ze naar het voortgezet onderwijs. De werkvormen en voorbeelden hieronder zijn eigen voorstellen. De bronnen bewijzen niet dat deze aanpak op een Nederlandse school tot hogere leerprestaties leidt. Lees de onderbouwing en haar grenzen ↓
01Begin bij de persoon en het concrete gedrag
Bij Woodward is identiteit de verbinding tussen hoe iemand zichzelf begrijpt, hoe anderen die persoon zien en welke posities de samenleving beschikbaar maakt. Een mens heeft verschillende identiteiten, die per situatie meer of minder op de voorgrond kunnen staan. Zelf kiezen speelt daarin een rol, maar de ruimte voor die keuze wordt ook begrensd door verwachtingen, instituties en machtsverhoudingen. [1, pp. 6–11, 17–22]
Voor een school levert dat een nuttige vraag op: wat weten we over deze leerling, en wat vullen we in? Woorden als ‘ongemotiveerd’, ‘mondig’ of ‘geen gymnasiumhouding’ vragen om precisie. Heeft de leerling drie opdrachten niet ingeleverd? Bleef een antwoord uit? Was de instructie begrepen? Welke verklaring geeft de leerling zelf? Door eerst de waarneming te benoemen, wordt duidelijker waarover het gesprek moet gaan.
Houd daarbij de verwachtingen overeind. Op tijd komen, werk maken en zorgvuldig argumenteren kunnen gezamenlijke eisen zijn. Maak wel expliciet hoe die eisen eruitzien en welke ondersteuning beschikbaar is. Als ‘actief meedoen’ alleen wordt herkend aan snel de vinger opsteken, verdient ook onze omschrijving van deelname aandacht. Een geschreven redenering kan bijvoorbeeld zichtbaar maken wat een leerling begrijpt.
Dezelfde zorgvuldigheid past bij gesprekken over afkomst, geloof, sociale achtergrond of gender. Geef een leerling de ruimte om een ervaring te delen, zonder die leerling als woordvoerder van een hele groep aan te wijzen. Woodwards analyse van identiteit en Slootmans waarschuwing tegen die vertegenwoordigingslast komen hier bij elkaar: iemands achtergrond verdient aandacht, terwijl die persoon zelf iets te zeggen houdt over wat daarvan in het gesprek relevant is. [1, pp. 31–34][3, pp. 11–12]
02Geef verschillende perspectieven invloed
Galinsky en collega’s beschrijven twee manieren waarop diversiteit kan bijdragen aan beter denken. Mensen kunnen andere kennis en ervaringen inbrengen. Daarnaast kan de aanwezigheid van mensen van wie je een andere kijk verwacht, ertoe leiden dat je informatie zorgvuldiger verwerkt. De auteurs bespreken onder meer experimenten met jury’s en groepsbesluitvorming. Tegelijk kan verschil samengaan met ongemak, wantrouwen en conflict. De samenstelling van een groep vertelt dus nog niet hoe goed die groep zal samenwerken. [2, pp. 742–744]
Vertaal dat naar een teamvergadering over een onderwijsplan. Vraag vooraf welke informatie nodig is om een goed besluit te nemen. Laat deelnemers eerst kort opschrijven wat zij zien, welke aanname zij betwijfelen en wie gevolgen van het besluit zal ondervinden. Bespreek die inbreng voordat de groep zich op een oplossing vastlegt. Als schoolleider kun je je eigen voorkeur later geven, zodat collega’s eerst hun afweging kunnen maken.
Perspectiefnemen is daarbij meer dan beleefd luisteren. Probeer te begrijpen welk gegeven, welke ervaring of welk belang de ander meeweegt. Vraag door en controleer of je het goed hebt begrepen. Galinsky en collega’s bevelen perspectiefnemen aan om de opbrengst van diversiteit te vergroten. De beschreven vergaderwerkwijze is onze toepassing van dat idee, geen door het artikel getoetst stappenplan. [2, p. 745]
Maak vervolgens zichtbaar wat met de inbreng is gebeurd. Welke vraag heeft het voorstel veranderd? Welke zorg blijft bestaan? Op welk argument is een besluit genomen? Ook wie het oneens is met de uitkomst, moet kunnen volgen hoe het besluit tot stand kwam. Deelname krijgt betekenis wanneer bijdragen serieus kunnen meewegen.
03Onderzoek het ongemak en bewaak de waardigheid
Juist wanneer verschillen werkelijk worden besproken, kan een gesprek gaan schuren. Slootman en collega’s noemen het onbehagen bij verschillen in identiteit, positie, ervaring en perspectief diversity discomfort. Hun betoog is dat het vermijden van zulke gesprekken bestaande uitsluiting kan laten voortbestaan. Onder passende voorwaarden kan ongemak ook aanleiding zijn om aannames en gewoonten opnieuw te bekijken. [3, pp. 1–3, 7–8]
Daar hoort een belangrijke grens bij. De auteurs onderscheiden het ongemak van een overtuiging die wordt bevraagd van de veiligheid en waardigheid van de persoon. Een leerling mag merken dat een argument onvoldoende onderbouwd is. Een leerling hoort niet vernederd te worden of telkens te moeten bewijzen dat hij bij de schoolgemeenschap hoort. De auteurs waarschuwen zelf dat ongemak ook tot terugtrekking, defensiviteit en verharding kan leiden. [3, pp. 8–9, 12–13]
Gebruik daarom het gevoel van ongemak als aanleiding tot onderzoek. Wat is er gezegd of gedaan? Wiens overtuiging staat ter discussie? Wordt iemand persoonlijk geraakt of buitengesloten? Welke eerdere ervaringen spelen mee? Een emotie vertelt iets over de ervaring van een deelnemer; de juistheid van een feitelijke bewering vraagt daarnaast om inhoudelijke toetsing.
Drie situaties, een andere eerste reactie
Wat gebeurt er?
Wat kun je doen?
Een aanname of argument krijgt stevige inhoudelijke tegenspraak.
Vraag om onderbouwing, verduidelijk begrippen en geef denktijd.
Iemand voelt zich miskend; het is nog onduidelijk waardoor.
Vertraag. Vraag wat er precies aankwam en wat nodig is om verder te kunnen.
Er is vernedering, intimidatie of een aanval op iemands recht om erbij te horen.
Onderbreek het gedrag. Bescherm de betrokkene en organiseer herstel en opvolging.
Praktische vertaling van het onderscheid bij Slootman e.a. Situaties kunnen door elkaar lopen; dit schema is geen meetinstrument.
Maak persoonlijke onthullingen vrijwillig. Een leerling hoeft geen pijnlijke ervaring te vertellen om aan een les deel te nemen. Bied een inhoudelijk gelijkwaardige manier om mee te doen, bijvoorbeeld met een tekst of fictieve casus. Als een gesprek schade heeft aangericht, hoort er een vervolggesprek te komen. Slootman en collega’s benadrukken keuzevrijheid, duidelijke grenzen en mogelijkheden om problemen te melden zonder afhankelijk te zijn van degene die ook beoordeelt. [3, pp. 11–12]
04Geef het moeilijke gesprek een vorm
Een gevoelige kwestie vraagt om een heldere onderwijsinhoud. Welke begrippen moeten leerlingen leren gebruiken? Welke bronnen onderzoeken zij? Wat moet een redenering aannemelijk maken? Bereid ook voor hoe leerlingen kunnen deelnemen en op welk gedrag je zult ingrijpen. Zo heeft het gesprek een doel waarnaar je kunt terugkeren.
Leg voor zo’n les enkele eenvoudige afspraken vast. We onderbouwen beweringen, vragen door en spreken over ideeën zonder mensen weg te zetten. We onderzoeken zowel de bedoeling als de uitwerking van woorden. Geef eerst tijd om te lezen en te schrijven, daarna ruimte voor uitwisseling. Laat leerlingen ook aangeven welke vraag zij nog niet goed kunnen beantwoorden.
Voor docenten geldt dezelfde ruimte om te leren. Je kunt een uitspraak verkeerd inschatten of te laat ingrijpen. Benoem dan concreet wat je wilt herstellen: ‘Ik liet dit zojuist passeren. Daardoor kreeg deze opmerking te veel ruimte. Ik wil daarop terugkomen.’ Dat is een professionele handeling waarvoor je als team taal en tijd kunt organiseren.
05Neem ook de schoolgewoonten onder de loep
Woodward laat zien dat identiteit mede wordt gevormd door institutionele categorieën en de mogelijkheden die mensen krijgen. Galinsky en collega’s richten hun beleidsadvies ook op procedures: criteria vooraf vastleggen, selectiebesluiten inzichtelijk maken en de uitkomsten kritisch bekijken. Samen geven deze bronnen aanleiding om naast de kwaliteit van gesprekken ook de dagelijkse organisatie te onderzoeken. [1, pp. 8–11, 17–22][2, pp. 744–745]
Wie krijgt toegang tot een verdiepingsproject? Wie wordt gevraagd voor een bijzondere taak? Welke leerlingen horen we als we een verandering evalueren? Welke collega’s hebben invloed op een voorstel voordat het in de vergadering komt? Maak voor één concrete beslissing duidelijk welke criteria gelden en waarom. Bekijk daarna of de uitkomst vragen oproept. Een verschil in uitkomst is aanleiding tot onderzoek; op zichzelf verklaart het nog niet hoe dat verschil is ontstaan.
Verbind die aandacht aan een gezamenlijke schoolcultuur. Benoem wat iedereen mag verwachten: zorgvuldige behandeling, duidelijke eisen, inhoudelijke tegenspraak en mogelijkheden om fouten te herstellen. Galinsky en collega’s pleiten voor een benadering waarin verschillen worden erkend en zowel minderheids- als meerderheidsgroepen zich deel van de gemeenschap kunnen weten. Voor school is de opdracht vervolgens om te onderzoeken of dat in het dagelijkse handelen ook lukt. [2, pp. 744–745]
06Kies één situatie en kom erop terug
Begin bijvoorbeeld met één leerlingbespreking, één lessenreeks of één terugkerend teambesluit. Beschrijf samen wat je wilt verbeteren. Spreek af welk gedrag je gaat veranderen, wie daarop let en wanneer je terugkijkt. Voor zo’n eerste proef kun je vier tot zes weken nemen; dat is een praktische keuze, geen termijn die uit deze bronnen volgt.
Stel bij de terugblik concrete vragen. Kregen meer mensen gelegenheid om iets in te brengen? Welke bijdrage veranderde de afweging? Waren de criteria duidelijk? Kon iemand een probleem melden, en wat is daarmee gedaan? Vraag dit ook aan mensen die tijdens het gesprek weinig zeiden. Gebruik hun antwoorden om de werkwijze bij te stellen.
Een rustiger gesprek alleen zegt nog weinig. Vraag ook welke onderwerpen wel of niet aan bod kwamen en hoe deelnemers de ruimte voor tegenspraak ervoeren. Een gespannen gesprek verdient dezelfde aandacht: wat werd duidelijker, en voor wie werd deelname moeilijker? Zo beoordeel je zowel de inhoud als de omgang met elkaar.
De drie bronnen leiden daarmee naar één samenhangend advies: kijk zorgvuldig naar mensen, organiseer hoe verschillende ervaringen kunnen meewegen en blijf verantwoordelijk voor de manier waarop het gesprek wordt gevoerd. De schoolleider heeft daarin een zichtbare taak: verwachtingen expliciteren, tijd voor onderzoek en herstel vrijmaken, en zelf bereid zijn een oordeel te herzien.
Wie kan hier meedoen, invloed uitoefenen en van gedachten veranderen, zonder zijn waardigheid te verliezen?
Wat de bronnen onderbouwen — en wat ons eigen advies is
Woodward (2004) biedt een theoretisch hoofdstuk over identiteit. Het beschrijft onder meer de verhouding tussen zelfbeeld, sociale erkenning en maatschappelijke structuren. Het is geen onderzoek naar de effecten van een schoolaanpak.
Galinsky e.a. (2015) verbinden bestaand onderzoek uit verschillende contexten met beleidsaanbevelingen. Dit is een overzichtsartikel, geen nieuwe effectstudie of systematische meta-analyse. De aangehaalde experimenten en verbanden hebben elk hun eigen reikwijdte.
Slootman e.a. (2026) ontwikkelen een conceptueel kader vanuit literatuur en praktijkervaringen aan vier Amsterdamse instellingen voor hoger onderwijs. Het artikel bevat geen eigen interventiestudie of representatieve steekproef. De auteurs vragen expliciet om nader empirisch onderzoek.
Onze vertaling naar het voortgezet onderwijs bestaat uit de gespreksafspraken, de fictieve voorbeelden, de voorstellen voor vergaderingen en de proef van vier tot zes weken. Deze voorstellen sluiten aan bij de teksten, maar hun effectiviteit is daarmee niet aangetoond. Er worden geen effecten op leerprestaties, welzijn of inclusie beloofd.
De verwijzingen in het verhaal gebruiken de gedrukte paginanummers. Bij Slootman bevat de pdf eerst een uitgeversvoorblad: artikelpagina 1 is PDF-pagina 2.
Lezen, toetsen, verder denken
De oorspronkelijke bronnen
Drie verschillende bijdragen aan hetzelfde vraagstuk. Slootman e.a. is open access en hier als ongewijzigde pdf te downloaden; voor Woodward en Galinsky e.a. verwijzen we naar de uitgever, omdat de rechten daar liggen.
01
Identiteit · theoretisch boekhoofdstuk
Questions of identity
Woodward, K. (2004). Questions of identity. In K. Woodward (red.), Questioning Identity: Gender, Class, Ethnicity (2e druk, pp. 5–41). Routledge, in samenwerking met The Open University.
Het hoofdstuk beslaat pp. 5–41 van de tweede druk (2004). Titelpagina en colofon zijn te zien in de uitgeverspreview.
Maximizing the gains and minimizing the pains of diversity
Galinsky, A. D., Todd, A. R., Homan, A. C., Phillips, K. W., Apfelbaum, E. P., Sasaki, S. J., Richeson, J. A., Olayon, J. B., & Maddux, W. W. (2015). Maximizing the gains and minimizing the pains of diversity: A policy perspective. Perspectives on Psychological Science, 10(6), 742–748.
Understanding diversity discomfort in higher education
Slootman, M., De Coninck, L., Kosar Altinyelken, H., Das, A., Wouters, A., & Kusurkar, R. A. (2026). Understanding diversity discomfort in higher education: From barrier to resource for inclusion. Teaching in Higher Education. Online gepubliceerd op 7 september 2026.
Adviesverhaal: Agent Atelier, 30 oktober 2026. De tekst is een eigen synthese; de auteurs van de bronnen hebben deze onderwijsvertaling niet beoordeeld. De rechten op de bronbestanden blijven bij hun rechthebbenden.